Opleggen verlof of rust

In functie van de dienstorganisatie mag de verlofverantwoordelijke verlof of rust opleggen, te weten:
  • overdracht verlof van het voorgaande jaar dat tegen 31 maart moet worden opgenomen; 
  • rust voor taakoverschrijding en meerprestaties;  
De dagen wettelijk en extrawettelijk verlof van het lopende jaar en de pensioenverlofdagen mogen nooit worden opgelegd.
 

Voorrangsregels

Voor het opnemen van rust en verlof is een volgorde vastgesteld (zie tabel hieronder). De toepassing ervan vereist dat;
  • bij elke aanvraag voor verlof en rust moet worden nagegaan of het personeelslid nog over een voldoende saldo beschikt;
  • de aangevraagde afwezigheid wordt gedekt door het verlof of de rust met de hoogste prioriteit;
  • toegekend verlof en toegekende rust van een personeelslid niet mogen worden geannuleerd indien een ander personeelslid verlof of rust vraagt met een hogere prioriteit.
PrioriteitType verlof of rust
1
De verplichte inhaalrust voor werk op:
  • zondag;  
  • feestdag die samenvalt met een zondag.
2
Rust voor alle bijkomende prestaties geleverd door de personeelsleden:
  • ofwel met deeltijdse loopbaanonderbreking; 
  • ofwel met verlof voor verminderde prestaties wegens persoonlijke aangelegenheden.  
Opgelet: deze rust moet idealiter worden aangezuiverd binnen een termijn van maximum 5 maanden, te rekenen van de maand die volgt op de maand van de prestaties.
3Een maximum van 4 jaarlijkse vakantiedagen overgedragen naar het volgende kalenderjaar om buitengewone redenen en op te nemen tegen 31 maart.
4Het wettelijk verlof van het lopend jaar.
5De vrij te nemen wettelijke feestdagen van het lopend jaar.     
6De extrawettelijke verlofdagen van het lopend jaar.
7Rust voor taakoverschrijdingen die moet worden opgenomen vóór het einde van de referentieperiode (1/04 – 31/03).
8Rust voor overwerk als gevolg van prestaties vanaf 1 januari 2005.
9Rust als gevolg van prestaties van 1 januari 2001 tot 31 december 2004.
10Saldo verlof voorgaande jaren (2001-2004).
11De dagen pensioenverlofsparen.
 
De types verlof of rust vermeld onder de prioriteiten 3, 7, 8, 9 en 10 mogen worden opgelegd in functie van de dienstorganisatie. De types vermeld onder de prioriteiten 4, 6 en 11 mogen nooit worden opgelegd.