Maarten Boel, hoofdafgevaardigde ACV bij Proximus

Wat houdt je job bij Proximus in? 
Maarten: Ik ben lasser in de regio Waasland. Ik hou me dus bezig met het opsporen en repareren van storingen aan het netwerk bij klanten. Mijn ‘bureau’ is dus buiten. Dat betekent ook dat ik dagelijks op de baan ben, waardoor ik niet zoveel contact heb met mijn collega’s, behalve mijn rechtstreekse collega met wie ik samenwerk. Maar ik vind het een leuke job, en dicht bij huis. Ook dat laatste was voor mij een belangrijke reden om vijf jaar geleden voor deze job te kiezen. 
Sinds wanneer ben je lid van ACV? 
Maarten: Goh, dat is intussen al een tijdje. Ik heb ooit bij een vorige werkgever de vakbond echt nodig gehad en daarom heb ik me op dat moment aangesloten. Het ACV heeft me toen heel goed geholpen en sindsdien ben ik lid gebleven. Ik heb zelf ervaren dat vakbonden belangrijk zijn om je rechten op de werkvloer te verdedigen. In je eentje is dat onmogelijk. 
En hoe kwam je erbij om je ook als militant te engageren? 
Maarten: Dat is eigenlijk nog maar heel recent. In januari 2015 ben ik wat beginnen meegaan met militanten. Ik heb ook deelgenomen aan de driedaagse die ACV-Transcom Telecom elk jaar organiseert en waar ik veel heb opgestoken over het vakbondswerk. En daar is de ‘goesting’ voor mij dan ook echt begonnen. Sinds februari dit jaar ben ik afgevaardigde geworden en sinds juli zelfs hoofdafgevaardigde. Mijn vakbondswerk komt bovenop mijn gewone job en vraagt dus veel van mijn vrije tijd, maar ik vind het belangrijk om dit te doen. 
Wat is de drijfveer achter je engagement? 
Maarten: Ik was vroeger wel een beetje ‘anarchistisch’ en politiek interesseerde me niet echt. Maar door ouder te worden is dat veranderd. Ik ben beginnen beseffen dat als je wil dat er iets verandert, je niet moet wachten tot anderen het voor jou doen, maar zelf het heft in handen moet nemen. Via mijn inzet als militant probeer ik nu mijn steentje bij te dragen. Ik heb twee kleine kinderen, en ik ben bang dat zij het nog slechter zullen hebben dan de mensen van mijn eigen generatie. Ik doe het dus ook voor hen. 
Klopt het volgens jou dat vakbonden jongeren niet echt meer aanspreken? 
Maarten: Ja, ik denk dat dat beeld wel klopt. Jonge mensen weten niet meer waar een vakbond voor staat of wat die in het verleden heeft verwezenlijkt. Veel van hen zijn al blij dat ze een job hebben, of hebben het veel te druk met werk en gezin. Ze staan helemaal niet stil bij het belang om zich aan te sluiten bij een vakbond. Ik denk ook dat vakbonden veel te vaak negatief in de media komen, bij stakingen of wanneer er iets fout loopt bij een manifestatie. Jongeren kunnen zich hiermee niet identificeren. Maar dat beeld is natuurlijk niet juist. Daarom zouden we vaker positief in de aandacht moeten komen. 
Hoe doen we dat? 
Maarten: Jongeren zouden meer moeten zien dat een vakbond echt wel een verschil kan maken, zowel op de werkvloer, maar ook daarbuiten. Kijk naar het hele debat rond werkbaar werk, de flexijobs, digitalisering of de onhoudbare toename van de werkdruk. Dat zijn maatschappelijke tendensen die verder gaan dan het bekomen van een goede cao voor je eigen bedrijf of sector. Vooral jongeren zullen hiervan het slachtoffer worden, de ‘burnout-generatie’ worden we al genoemd. Hoe we als maatschappij in de toekomst naar werk kijken, daar hebben vakbonden volgens mij een heel belangrijke rol te spelen. Zij kunnen alternatieven bieden. 
Wat doe jij zelf om jongeren aan te spreken? 
Maarten: Ik heb af en toe wel eens discussies met vrienden. Sommigen vinden het raar dat ik me engageer voor een vakbond. Maar als ik hen dan wat meer uitleg geef, merk ik toch dat ze het beter begrijpen. Op het werk heb ik niet veel contact met mijn collega’s omdat ik altijd buiten ben, maar via de Facebook-groep van de jongeren probeer ik vooral online met hen te communiceren en hen te betrekken. Om jongeren aan te spreken, is het belangrijk om een eenvoudige taal te gebruiken en met beelden te werken.